Column Anneke de Vries | Discriminant

Soms vang ik in een treffen tussen sectiegenoten een vakinhoudelijk gesprekje op waar voorwaar geen snars van te begrijpen valt. Zouden leerlingen dit soort ervaringen ook regelmatig hebben? De zinnen kloppen en de woorden staan op de goede plek maar welke werkelijkheid schuilgaat achter dan wel onder duistere duidingen, ik zou het u niet kunnen zeggen. Onlangs beluisterde ik twee wiskundedocenten die een toets bespraken. “Ze moeten dan de discriminant gelijkstellen aan nul”, meldt de één. De ander lijkt te begrijpen wat hiermee bedoeld wordt en knikt instemmend. In mijn hersenpan komt kortsluiting. “Arme leerlingen!”, denk ik even.

Thuisgekomen zoek ik “discriminant” op, gecharmeerd als ik ben door dit wonderbaarlijke woord. Zit u goed? Durft u het aan? Komtie, stiekem gepikt van wikipedia: “In de algebra is de discriminant (Latijn: discriminare, onderscheiden) van een polynoom een speciale uitdrukking in de coëfficiënten die belangrijke informatie geeft over het aantal nulpunten. De discriminant is alleen dan gelijk aan nul als de polynoom een of meer meervoudige (complexe) nulpunten heeft. De discriminant is vooral bekend uit de theorie van de vierkantsvergelijkingen, ter bepaling van de nulpunten van tweedegraadspolynomen”. Staat er echt zo, hoor! Mooi hè? Met vakoverstijgende verbindingen naar mijn vakken: Latijn (o.a. discriminant) èn Grieks (o.a. polynoom). Glashelder! ...toch? Nou ja, totaal niet, natuurlijk! Ik weeg de woorden in deze definitie op de tong en vraag me serieus af of het begrip wel uitgelegd is met deze omhaal van omschrijvingen die elk op zich opzoekenswaardig zijn. Welke oceaan vol voorkennis ontbreekt me om dit alles te bevatten?

Ik schakel even door naar mijn eigen vakgebied. De opgesomde obscuriteiten uit de wiskunde vinden misschien hun pendant in grammaticale geintjes als: “Zien jullie wel dat hier sprake is van een relativum met ingesloten antecedent?” Dit is eenzelfde vorm van abracadabra voor wie niet is ingewijd in de geheimenissen van de syntaxis bij de klassieke talen. Op deze plek aangekomen zou ik een pleidooi kunnen gaan houden om de taal die wij docenten hanteren te versimpelen. Maar dat doe ik niet. We moeten vooral omfloerst, ondoorzichtig en ondoorgrondelijk blijven spreken, want de taal wordt naar mijn smaak al veel te veel verarmd. We moeten echter wel controleren of er enig begrip doorbreekt op de gezichten van onze leerlingen en zo nodig via andere wegen nog een keer hetzelfde uitleggen.