Grammatica - Column Anneke de Vries

Ik schrijf met enige regelmaat over het voortdurende feest der brugklassen, dat weet u. En jaaah, ik ben er ook dit jaar in geslaagd alle vier oriëntatie-op-de-klassieken-klassen in mijn lespakket te krijgen. Verrukkelijk!! Ik kan heerlijk agressieve rondjes zetten rond alle foute d’s en t’s (de consequentie in het foute bij dat jonge grut verwondert me voortdurend), en verder kan ik lekker mijn eigen gang gaan bij de lesinhoud en toch ook een boel nuttigheden door de nonsens heen weven.

Als Rome eenmaal weer gesticht is, wat me tegenwoordig een kleine drie lesuren en een stuk of wat magistrale edoch vooral hilarische tekeningen kost (...de belegering van Troje, compleet met Paard van Troje en slangen die de Trojaanse priester wurgen; Aeneas met zijn vader op de rug en zijn zoon aan de hand; de van Romulus en Remus zwangere Rhea Silvia; het mandje op de Tiber met de baby’s Romulus en Remus erin; Romulus en Remus die elk op een heuvel als vogelteken de één eerst zes en de ander later twaalf gieren waarnemen..., alles onder veel gegiebel keurig nagetekend uiteraard), is het tijd voor het echte werk: de grammatica die nodig is om een Latijnse tekst te kraken.

Naamvallen

Allereerst de naamvallen, in dit halfjaar twee stuks wier namen zorgvuldig moeten worden uitgesproken om er geen ziekte van te maken: de nominativus en de accusativus. Naamvallen? Huh? Waar zijn die goed voor? Het vergt de nodige uitleg, neem dat van me aan. Ze hebben die taaie theorie niet of onvoldoende gehad op de basisschool. Ze hebben dat soort zaken ook amper nodig bij het Nederlands. Daarna drie vormen van het werkwoord: de infinitivus (huh?), de 3e persoon enkelvoud en de 3e persoon meervoud. Personen? Huh? Na eerst die infinitivus te hebben verduidelijkt, meteen die personen er maar achteraan. Daar moet ik echt aandringen, want “nooit gehad…!” “Wie is de 1e persoon enkelvoud?” Stilte. “Wie is het belangrijkst?” Tja, je probeert wat als docent, want meteen zelf het antwoord geven bevordert het denken onvoldoende... Warempel, iemand roept “ik!”. ”Heel goed!”, roep ik blij, menend dat we op de juiste weg zijn. “...en de 2e persoon enkelvoud dan?” Stilte. Dan hoor ik iemand “Mama!” roepen

Brugklassen, u snapt het nu ook helemaal, zijn een voortdurend feest!