Slipjacht: te paard door de velden achter Roden

RODEN Op 9 november wordt er rond Roden een slipjacht verreden. Hoe gaat het er aan toe tijdens zo’n spektakel? Bram Hulzebos reed geregeld mee. Een verhaal over kou, angst, overmoed en diepe sloten.

Veel mannen aan de verkeerde kant van de 45 laten een sik staan, krabben gedachteloos aan de kalende plek op het achterhoofd, kopen een Harley en voelen zich born to be wild. Ik ben niet zo van de motoren en besloot me aan te melden bij de Jachtvereniging Soestdijk.

Vanwege de slipjacht.

Als de gewassen van het land zijn, jagen de leden te paard over de velden en door de bossen achter een meute honden aan, die op hun beurt een kilometerslang geurspoor volgen. Tegen de tijd dat het gewas weer wordt geplant, is het seizoen voorbij. Waar paardrijdende watjes zich in de winter terugtrekken in rijhallen voor hun dressuur- en springtrainingen, begint het bloed van de jachtruiter sneller te stromen wanneer de blaadjes van de bomen vallen.

Op 9 november is het spektakel te aanschouwen rond Roden en Peize. Vrouwen in mosgroene jassen, mannen in een rode variant. Ze zien er een beetje sjiek uit, gekleed in een soort rokkostuum, in wit hemd en met een enorme strik (plastron) onder de kin. Sommigen dragen een bolhoed of een ‘kachelpijp’.

,,Schiet je dan aan het eind een vos dood’’, vragen mensen mij wel eens. Een pijnlijke vraag. Niet in de laatste plaats omdat de vragensteller kennelijk denkt dat ik zo dom ben om met een doorgeladen geweer op de rug van een paard over sloten te springen… De slipjacht in Nederland is overigens wel een uitvloeisel van de jacht op vossen, maar de honden worden aan het eind van de slipjacht beloond met een grote berg koeienpens die ze heel blij aan stukken scheuren, soms begeleid door het spel van hoornblazers. In Ierland bejagen ze nog steeds vossen te paard en met honden, maar in Nederland mag dat al heel lang niet meer. .

Overigens blijkt in de praktijk één vos vaak slimmer en sneller dan een complete meute honden. Sommige vossen slagen er in om jaar in jaar uit de dans te ontspringen en in menig Ierse kroeg valt (als de mannen flauw zijn van het kwelen van het eeuwige Oh Danny Boy) een gezongen ode te beluisteren op enkele lokale vossen die in de loop van de jaren een heldenstatus hebben gekregen.

Als je een slipjacht bekijkt dan zul je zien dat er een bepaalde volgorde zit in het ‘jachtveld’. Eerst heb je de sliptrekker. Dan een hele poos niets. Daarna hoor je het gehuil (the cry) van de honden. Hebben de honden eenmaal de geur te pakken, dan huilen ze en zetten het op een lopen.

Vlak achter de honden komt dan de equipage: vier ruiters in rode jassen die de honden bij elkaar houden en honden terughalen die van het spoor af zijn. Dat is belangrijk. De jachtvereniging heeft de honden nodig en je wilt niet dat ze achter een ree of een haas aangaan. Soms moeten ze er in vliegende galop achteraan, want de honden zijn snel… Ik had, toen ik me nog aan de goede kant van 45 bevond, bij wijze van spreken mijn slaperige golden retriever nog niet onder appèl op het woonerf. Dat deze mannen er in slagen soms honderden meters van het spoor geraakte honden terug te halen, heeft veel te maken met de intensieve training die de dieren krijgen.

Vervolgens komt het ‘jachtveld’. De mannen in rode en vrouwen in mosgroene jassen zijn ervaren slipjachtruiters. Zij rijden voorop. Daarachter komen de introducés en aspirant-leden in zwarte jassen. Er geldt een hiërarchie in het veld: zwarte jassen worden niet geacht de rode en groene jassen in te halen. Wel zo veilig. En het is, opnieuw, traditie.

Voorafgaand aan de slipjacht wordt koffie gedronken in een tweedjasje. Onder dat jasje draag je een vestje (gilet). Traditie. Daarvan hoort de onderste knoop los. Je plastron moet met een horizontaal liggende speld worden bevestigd. Ook traditie.

De equipage draagt de speld juist verticaal. Je moet het allemaal even weten…

Sommigen zijn tijdens de koffie wat wit om de neus van de spanning en dat geldt zeker voor mij. Een goede slipjacht geeft je het gevoel dat je bent herboren. Achteraf bekeken dan. Vooraf is dat echt anders. Neem de slipjacht bij het Gelderse Wisch-Sinderen van een poosje geleden. Ik was aan de vroege kant en Leo Kock, het brein achter deze slipjacht, briefde net fotograaf Emile Talen toen ik binnenkwam.

Kock ging met zijn vinger over de kaart: ,,Kijk, hier heb je een e-nor-me sloot, daar komen ze allemaal met een rotgang op aan, daar kun je een mooie foto maken.’’

Ik zag Talen gretig knikken en voelde een lichte misselijkheid opkomen. En Leo Kock was nog niet klaar. ,,Aan het begin van de tweede run heb je dan een gigantische wal. Gigantisch! En meteen daarna een sloot.’’ De fotograaf maakte driftig aantekeningen en ik nam me voor om te rijden bij elke hindernis waar Talen met zijn camera in de aanslag lag. Mijn mentrix, instructeur en morele steun en toeverlaat Karla was zo attent geweest me het machtige paard Solo toe te wijzen.

Het vorige seizoen zag ik met lichte jaloezie hoe Leo Kock dit prachtige dier door het veld leidde. Een week eerder had Solo mij een prachtige slipjacht bezorgd. Misschien wel een te mooie… Het ging zo lekker op het laatste stuk dat ik onbekommerd achter de rug van de ervaren ruiters in rode jassen aan galoppeerde. Op een gegeven moment zag ik al die rode jassen een voor een uit het zicht verdwijnen. Alsof ze door de aarde verzwolgen werden! Wat bleek toen ik dichterbij kwam? Er lag daar een enorme sloot. Wat zeg ik? Een gracht! En wie lag er grijnzend in die gracht, met zijn fototoestel op de neus? Juist.

,,Hoe pakken we dit in vredesnaam aan?’’ informeerde ik bij Paul Paardenkooper die naast me op de gracht af galoppeerde. ,,Heel rustig’’, riposteerde hij. Dus daar gingen we, Solo en ik, de sloot in die te diep en te breed was om in een keer te springen. Achter Paul aan. Dat ging nog wel goed. Maar toen omhoog…

Helaas sprong Solo nogal fel weg en ging ik onvoldoende in de beweging mee. Langzaam gleed ik langs de flank van Solo naar beneden en belandde ik roemloos met mijn neus in de akker. Paardenkooper – every inch a gentleman – arresteerde Solo. Toen ik bij het bestijgen met pijn en moeite mijn been over de rug van Solo zwaaide, sprak hij de historische woorden: ,,Niet gek voor een jongen die nooit op ballet heeft gezeten.’’

Dit soort taferelen wilde ik dus graag voorkomen tijdens de slipjacht in Wisch-Sinderen. Vandaar mijn voornemen om elke sloot waar de fotograaf in de buurt was, niet te springen maar om te rijden. Dat ging meteen al mis. Al snel stuitten we op een enorme gracht. Solo deed de oortjes naar voren en sprong de gracht met gemak. Ik durf te wedden dat het op de foto van Talen net is of Solo glimlacht. Ik durf ook te wedden dat het op diezelfde foto lijkt of mij het huilen nader staat dan het lachen.

In de loop van een slipjacht krijgen zelfs de ruiters en amazones die vooraf het witst om de neus zien, kleur op de wangen, gloeiende oren en vaak een drup aan de neus, want geregeld is het koud tijdens de rit. Na afloop staan de paarden dampend op de wagen, vallen de honden in slaap, wordt het al schemerig en plannen de ruiters en amazones hun volgende slipjacht. Stuk voor stuk met een grijns op het gezicht die nog uren blijft zitten.