Fiona’s column: Het saaie platteland

Een kennis uit de stad kwam voor het eerst op visite. Ze is erg mondain, heeft een interessante baan en is hoog opgeleid. Ik voel me bij haar altijd een beetje dorps, maar ik mag haar graag.

Terwijl ze haar peperdure leren trenchcoat (‘Joh, da’s een tweedehandsje’) over de leuning van een stoel gooide, haar Louis Vuitton handtas op de grond zette en zich op de bank liet vallen verzuchtte ze: ‘Dat je híer kunt wonen. Met alle respect hoor. Maar tussen al die weilanden. Het is zo… zo sáái.’ Ik redde de tas van onze hond en vroeg wat ze bedoelde.

‘Nou gewoon, saai. Stil, weinig te doen, er gebeurt niks. Hier is niks. In de stad is tenminste reuring. Daar kun je naar het museum om naar kunst te kijken. Of je kunt naar de schouwburg. Er is kleur en muziek. Hier is alleen maar groen. Groen, groen, en nog eens groen.’ Toen we de thee op hadden gaf ik haar een paar wandelschoenen van mezelf en een jas. ‘Aantrekken en meekomen,’ zei ik, ‘we gaan het platteland bekijken door mijn ogen.’

Kleuren

We wandelden het dorp uit, sloegen een graspad in en ik wees haar op alle kleuren in de berm. De laatste fluitekruidbloemen piepten wit tussen het hoge gras door. Wazige paarse klavervlekjes schemerden tussen het groen, alsof Monet ze geschilderd had. We vergeleken het verschil in kleur tussen het net nieuwe eikenblad, de tweede lichting na het rupsen-vreetfestijn, en het blad van de els. En hoe het groen van het pasgemaaide pad afstak tegen het ongemaaide gras, waarvan de bloeiende aren wiegden in de wind.

Ik liet haar ruiken aan kamperfoelie (‘ruikt naar de zeep van mijn oma,’ zei ze verbaasd) en wees haar op de kale takken van een dode boom die tussen hoge struiken stond. Net een pentekening in een olieverfschilderij. We liepen voorbij een met de hand gemaakt wringhek. Ze vond het prachtig, ‘het lijkt wel kunst,’ zei ze, terwijl ze met haar hand over het hout gleed.

Vloeibaar goud

Op naar het Mensingebos bewonderden we de koeien die in een weiland stonden. Elke koe had zijn eigen koddige kapseltje. ‘Mijn hairsalon is er niks bij,’ zei ze. We luisterde naar het zingen van een veldleeuwerik en hielden onze adem in toen een buizerd vlak voor ons van een boomtak vloog. We stonden een tijdje over de velden te kijken, zagen de verschillen in kleur in de lucht en hoe het zonlicht dat door de wolken brak de kleuren vermengde met vloeibaar goud.

Ik vertelde haar dat die mooie paarse bloempjes die als gestrooide rozenblaadjes de groene landen bedekten, de bloemen van aardappelplanten zijn. En dat je zevenblad kunt eten. Ze nam een foto van het blad van een acanthus, dat ze alleen kende als bladwerkkapiteel op oude gebouwen. (‘Dus dit is de echte!’) Ze vond het prachtig.

Aan het eind van de dag vertrok ze weer naar de stad. Waar ik vind dat het naar uitlaatgassen stinkt. Waar veel te veel lawaai is van verkeer en veel te weinig groen tussen de saaie grijze flatgebouwen. We spraken af dat ze me binnenkort de stad laat zien. Door haar ogen.