Over de troost van nachtegalen

NORG

Als Norger Aaldrik Pot een bos in stapt, ziet hij daar méér dan de meeste mensen. Genoeg om een boek over te schrijven: ‘De onsterfelijke nachtegalen’. Hij schreef het in een briefwisseling met zijn Groningse co-auteur Barbara de Beaufort.

Een weetjes-boek is het niet, eerder een natuurdagboek. “Kijk, hier hebben spechten zitten pikken. En zie je die sperwer?” We zijn nog maar vijf minuten onderweg in het Molenduinbos. Een mooi bos, zeker. Maar dat er zoveel leven in zat, wist verslaggever niet. Een verzameling grijze veren. “Dat heeft een havik gedaan. Geen vos. De veren zijn uitgetrokken, niet afgebroken.” Juist ja. Het kan ontmoedigend zijn als mensen zoveel meer van de natuur weten. Vervelend zelfs, als ze elkaar vliegen afvangen – was dit een geelpootmeeuw of een Pontische meeuw? Gaap, denk je dan als leek. Maar wanneer Aaldrik en Barbara schrijven over wat ze in de loop van een jaar om zich heen zien – hij in Drenthe, zij op het Hogeland, dan wil je wel met ze meekijken. Met enige jaloezie soms, omdat ze zomaar puttertjes en hazen spotten. Maar ook met herkenning. Want ‘De onsterfelijke nachtegalen’ is geen belerend boek. Het is een soort dagboek, waarin twee aandachtige kijkers je meenemen in hun belevenissen en overpeinzingen.

Reflectie

Doordat ze die elke maand met elkaar uitwisselen ontstaat er ook een zekere reflectie: liep jij als kind ook al zo door de natuur? Zou die beleving lijken op hoe dieren hun omgeving ervaren, zintuiglijk en totaal? En wat zoeken wij er nu? Kan je werkelijk zeggen dat je er thuis bent? Natuur is een ander woord voor thuis, zegt Aaldrik. Maar hij citeert ook de Franse filosoof Silvain Tesson: ‘Als je jezelf in het bos uitnodigt, moet je op zijn minst weten hoe diegenen heten bij wie je te gast bent.’ Wat wel een opmerkelijke uitspraak is voor iemand van Staatsbosbeheer, de baas van het bos zou je zeggen. Zo ziet hij dat niet. Wel biedt een rondje bos of zelfs maar stadspark troost en inspiratie na de dagelijkse beleidsplannen en vergaderingen. “Dan voel ik de connectie weer: hier doe ik het voor.” Pot onderbreekt zichzelf: hee, een winterkoninkje. Hij kijkt met zijn oren, zegt hij, uit het achtergrondkoor van merels en mussen pikt hij die ene fitis, zwartkop of braamsluiper. “Zo rond mijn twaalfde had ik een paar cassettebandjes met vogelgeluiden, die heb ik wel vierhonderd keer afgeluisterd. En daarna ben ik ze actief gaan zoeken.” Destijds was het een soort postzegels verzamelen, “vogeltjes tikken.” Nu is het een tweede natuur, waarvan co-auteur Barbara opvalt “hoeveel diepte en nuance er zo aan de wereld wordt toegevoegd. Hoe je je voortdurend via je oren bewust bent van al die wezens om je heen.”

Pijn

Daar gaat het om, zegt hij: “dat je voelt dat er veel meer is dan alleen die wereld waarin jij leeft. Dat er heel veel planten en dieren zijn die ook weer een wereld op zich hebben. Die datzelfde landschap heel anders gebruiken, of daar hun eigen noden hebben.” Soms kan je daar onbekommerd van genieten. Soms doet het ook pijn. Landschapspijn bijvoorbeeld, dat woord kennen we in Drenthe ook. En die nachtegalen, die zocht hij hier tevergeefs. De hakhoutbosjes zijn opgeruimd, dus tja. Anderzijds. De natuur gaat dóór, met of zonder ons. Daar kun je zelfs een zekere troost uit putten. Zoals Bloem schreef: “Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht, 't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht Zingen de onsterfelijke nachtegalen.” ‘De onsterfelijke nachtegalen’ verscheen bij uitgeverij Kleine Uil Edith Boeker

Auteur

ggeersing