Reina Timmermans-Kymmell: Opgroeien op een landgoed

RODEN

Stel je voor, op een dag komt je vader thuis en zegt: “We gaan verhuizen. We hebben een landgoed geërfd.” Het klinkt als een sprookje, maar Reina Timmermans-Kymmell is het echt overkomen. Op haar elfde verhuisde ze van Rotterdam naar havezate Mensinge.

En ze leefde nog lang en gelukkig? De kasteelvrouwe schenkt nog een kopje thee in. Nee, niet in het kostbare porseleinen servies. Dat staat binnen in een vitrine. "Het is géén kasteel", corrigeert ze vriendelijk. En ze woont hier ook allang niet meer. Sinds 1985 is Mensinge eigendom van de gemeente Roden. Het zijn de vriendelijke vrijwilligers van het museum die ons hier op het terras hebben geïnstalleerd met een thermoskan thee. Maar toch, stel je eens voor dat je hier opgroeit! “Het was geweldig”, bevestigt ze. “Ook omdat er 100 jaar lang niets was veranderd of weggegooid. We vonden van alles op zolder. Een kist met kleertjes, mutsjes en zelfs een korsetje van een jong gestorven kindje – vijf jaar werd ze. Die kleertjes pasten mijn nichtjes aan, er zijn nog foto’s van. Er lag ook een oude steek, die zette ik altijd op als ik in mijn eentje de zolder op ging. Je weet maar nooit of er niet iemand achter de kast schuilt tenslotte… Daar zat een oranje kokarde op, die moet nog uit de tijd van Napoleon geweest zijn!” Ook het beroemde Chinese servies werd op zolder aangetroffen, zo grijs van het stof dat ze eerst dachten dat het van tin was.

Joffer

Het was de uitdrukkelijke wens van de erflater, ‘de joffer’, dat de havezate met haar inhoud in Drents bezit zou blijven. De benedenverdieping moest een museum worden, boven kon het gezin dan wonen. Dat was nog niet zo eenvoudig. “Er was geen elektrisch licht en geen waterleiding. Een regenput hadden we, en een pomp waarmee je met 100 slagen het reservoir vulde om de WC door te trekken.” Als kind vind je dat niet erg. Bij de erfenis hoorden ook de twee oude paarden, die ‘nicht’ nog naar haar laatste rustplaats hadden gebracht. Betrouwbare dieren. “Ze maakten elke dag op eigen houtje een ommetje langs de singel, en dan weer terug naar de stal.” Reina ging bij de landelijke rijvereniging, leerde paardrijden en mennen. Melken leerde ze ook, en ze zat voor het eerst van haar leven op de maaimachine. Thuis of op de boerderijen van klasgenoten, waar ze ging spelen. Ze was al snel opgenomen na die eerste dag op het schoolplein, toen ze in een kring om haar heen stonden om haar eens goed te bekijken. “Als ik zo rijk was, droeg ik zijden jurken,” zei een meisje. Maar ik droeg een smockjurkje met bijpassende strikken, dat was ook mooi.” Voor haar moeder moet het moeilijker geweest zijn, zo’n groot leeg huis zonder moderne gemakken. Toen Reina’s vader overleed betrok zij een nieuw gebouwd huis aan de overkant. De havezate stond een tijdje leeg. ‘Dat kan toch niet zo’, meenden Reina en haar man, die inmiddels in Vlaardingen woonden. Ze trokken in de linker zijvleugel, waar de voormalige slachtruimte werd verbouwd tot een grote woonkamer met een keukentje. ‘Ik wilde niet met kinderen tussen het antiek wonen.’ Het was een goede stap. ‘In Vlaardingen was zoveel vervuiling, als je de lakens van de lijn haalde kon je ze gelijk opnieuw wassen!’ Haar kinderen groeiden op met paarden, geiten en schapen. En zelf had ze ook genoeg beweging, met de lange gang waar je een sprintje moest trekken als de telefoon ging.

Niet zorgeloos

Maar eenmaal volwassen is het wonen in een oud landhuis niet zo zorgeloos. De kosten voor het onderhoud zijn natuurlijk enorm. Toen Reina’s moeder in de jaren ’80 overleed maakten de erfgenamen een rekensom: alleen door een deel van het huis als kantoorruimte te verhuren, zou Mensinge behouden kunnen blijven zoals ‘Nicht’ dat gewild zou hebben. Belangstelling was er genoeg. “Er was zelfs interesse vanuit de Bhagwan beweging, omdat het huis zo’n gunstige Noord-Zuid oriëntatie had!” Maar de gemeentelijke regelgeving sneed die weg af: het landgoed had een museale bestemming. Uiteindelijk kwam de gemeente tot een bod voor het huis met al het antiek, het bos en de landerijen (het huidige beurs- en concoursterrein en camping Ot en Sien). “Dat was zo’n spannende raadsvergadering, ik krijg weer hartkloppingen als ik eraan denk!” Het voorstel haalde het met één stem meerderheid, en misschien was dat wel te danken aan die ene dame die een zeker raadslid tot in de herentoiletten achtervolgde... Een groep bezoekers passeert ons op weg naar binnen. Vrijwilligers snellen behulpzaam toe. “Ik ben ontzettend blij dat er zoveel mensen met zoveel liefde en inzet voor de havezate zorgen”, straalt Reina. “En dat we het hebben kunnen bewaren zoals Nicht het in haar testament bepaalde. Wij hebben er ook met hart en ziel voor gezorgd.” Ze vertelt hoe de joffer persoonlijk de Duitsers met haar stok wegjoeg, met de deur op de knip. In Mensinge zijn geen soldaten ingekwartierd, ook al vanwege de roep dat het er spookte. Had het eerste groepje dat er kwam kijken niet gezien dat er wel zes gebruikte borden op de keukentafel stonden? Hoe kon dat, als er maar één iemand woonde? “De afwas liet Nicht altijd staan voor de hulp, en die kwam eens per week.”

Fantasia

Tegenwoordig dwalen er ridders, feeën en magiërs over het landgoed: het FantasiaFest. Eerder deze zomer was het het garnizoen van Bourtange. Vanuit hun appartement kijken zij en haar man er op uit. Stemt dat haar niet weemoedig? “Dat vragen mensen me wel vaker: hoe bevalt het om niet meer op Mensinge te wonen? Ik zeg altijd: hééérlijk, zo zorgeloos!” Dan, serieus : “Als het ’s avonds zo mooi verlicht is dan denk ik wel eens, wat is het toch een ontzettend lief, aardig, vriendelijk huis. Ik geloof dat iedereen dat wel zo voelt. Geweldig dat ik daar deel van heb mogen zijn.” Edith Boeker

Auteur

ggeersing